Begroting in evenwicht

Christoph Van Dycks nieuwste linogravure, “Begroting in evenwicht”, sluit moeiteloos aan bij zijn bredere maatschappijkritische oeuvre, waarin arbeid, macht en ideologie voortdurend met elkaar botsen. De prent toont opnieuw zijn vermogen om een directe, rauwe en gelaagde beeldtaal te hanteren die de realiteit zichtbaar maakt van wie onderaan de maatschappelijke piramide staat. Terwijl politieke communicatie structurele machtsverhoudingen doorgaans verhult achter technocratische begrippen, kiest Van Dyck voor de omgekeerde beweging: hij maakt die begrippen tastbaar en toont ze als fysieke last.

De centrale metafoor van het werk is dat een begroting nooit een neutraal boekhoudkundig evenwicht is, maar in de praktijk een opeenstapeling van druk die op de rug van dezelfde mensen terechtkomt. In plaats van evenwicht toont Van Dyck een toren van blokken die wankel boven een arbeider hangt. De blokken dreigen elk moment om te vallen en drukken zwaar op de figuur die onderaan bijna bezwijkt. Het politieke discours waarin een begroting in evenwicht wordt voorgesteld als verstandig beheer krijgt hier een radicale tegenlezing: dat evenwicht wordt slechts bereikt doordat de volledige last wordt doorgeschoven naar wie het minst weerwerk kan bieden. De keuzes die leiden tot dat zogenaamde evenwicht zijn verre van neutraal; ze worden genomen door de economische en politieke elite, maar gedragen door de werkende bevolking.

Op elke steen staat een beleidsmaatregel of ideologische term die rechtstreeks afkomstig lijkt uit hedendaagse beleidsnota’s en politieke toespraken. Van Dyck brengt zo de technocratische taal van het neoliberale bestuur terug tot haar materiële gevolgen. Begrippen die normaal als abstract of technisch worden voorgesteld — flexibiliteit, flexi-jobs, nacht- en dagcontracten, werkdruk, gemeenschapsdienst, pensioen op 67, lagere pensioenen, pensioenmalus, beperking van uitkeringen, jacht op zieken, medische ontslagen, indexsprong, btw-verhoging, loonnorm en Navo-norm — krijgen hier het gewicht van stenen blokken die letterlijk verpletteren. Deze woorden verwijzen niet langer naar beleidsmodellen, maar naar de ontwrichting van stabiele arbeid, de normalisering van onzekerheid, de uitholling van sociale bescherming en de verschuiving van economische en militaire prioriteiten ten koste van sociale investeringen. Zo wordt zichtbaar dat een begroting in evenwicht niet het resultaat is van efficiënt bestuur, maar van de systematische accumulatie van lasten op dezelfde groepen: werknemers, zieken en mensen in precaire arbeidssituaties.

De man onderaan is in Van Dycks iconografie nooit een symbool op afstand, maar een concreet lichaam dat de politieke werkelijkheid ervaart. Zijn houding, met de handen uitgespreid op de grond en het gezicht verwrongen van inspanning, toont een mens die gebroken dreigt te worden door beslissingen die elders genomen worden. Hij is geen abstracte “citizen” of “modale Vlaming”, maar een arbeider van vlees en bloed die de volle impact draagt van technocratische keuzes. Door de last fysiek op dit lichaam te leggen, toont Van Dyck dat politiek in essentie nooit neutraal beheer is, maar een gevecht over wie betaalt, wie spaart en wie ontziet.

Bovenaan de toren staan drie mannen in maatpak die onmiddellijk herkenbaar zijn als de archetypes van het politiek-economische establishment. Hun houding is zelfverzekerd, hun buiken en hoeden doen denken aan de klassieke iconografie van de kapitalistische elite, hun wijzende vingers en wegdraaiende blikken maken duidelijk dat ze geen band hebben met degene die onder hen bezwijkt. Ze produceren geen waarde, maar beslissen erover. Ze kijken niet naar beneden, want de last is niet die van hen. Van Dyck vermijdt bewust herkenbare portretten; macht is hier geen individu maar een klasse, een structuur, een positie bovenaan die altijd dezelfde blijft, ongeacht welke politieke figuren tijdelijk in die rol verschijnen.

De linogravure zelf versterkt de inhoud. Het harde contrast van zwart en wit legt de scherpte van de tegenstellingen bloot. De ruwe snijlijnen tonen de arbeid van de maker en maken het beeld tegelijk onverzoenlijk. De grafiek herinnert aan de sociale kunst van Masereel, Kollwitz en de arbeiderspers: de directe, reproductieve, niet-elitaire beeldtaal van strijd en solidariteit. Door deze traditie te verbinden met hedendaagse beleidsjargon, vernieuwt Van Dyck de erfenis van de sociale grafiek en maakt hij haar opnieuw actueel.

Begroting in evenwicht past perfect in drie centrale lijnen van Van Dycks werk. Ten eerste in zijn kritiek op neoliberale mythes waarin flexibiliteit en efficiëntie de plaats innemen van zekerheid en solidariteit. Zoals in Država, Jingoism, Now we won’t pay en Backbone of the Nation maakt hij zichtbaar hoe deze logica’s het lichaam van de werkende mens ondermijnen. Ten tweede in zijn consequente ontmaskering van technocratische taal, die hij hier ontbloot van haar neutraliteit door haar als fysieke last weer te geven. En ten derde in zijn esthetiek van tegenmacht: door het perspectief van onderaan te kiezen, maakt hij duidelijk dat de arbeider de protagonist van het verhaal is, niet de beleidsmakers die bovenaan staan.

De gravure draagt uiteindelijk een duidelijke filosofische stelling uit: dat er geen neutraal begrotingsbeleid bestaat, maar enkel politieke keuzes over wie de last draagt. Wat macro-economisch “evenwicht” heet, is in de praktijk vaak een diep menselijk onevenwicht. Het werk doorprikt de mythe dat rechten, bescherming en collectieve voorzieningen “te duur” zouden zijn en toont dat niet de begroting dreigt te wankelen, maar de mens die haar draagt.

Met Begroting in evenwicht breidt Christoph Van Dyck zijn visuele kritiek op arbeid, macht en neoliberalisme verder uit. De linogravure is direct, confronterend en moreel scherpzinnig. Ze ontleedt niet alleen de retoriek van politieke verantwoordelijkheid, maar toont ook de lichamelijke realiteit achter beleidsbeslissingen. Het beeld blijft hangen omdat het de kern raakt van de politieke actualiteit én van de sociale werkelijkheid: het is schrijnend, helder, confronterend — en bovenal waar.